Leeuwarder Courant

‘Dit bedoelt hij dus. Zo’n maakster. Die vastberadenheid. Hij voelt, nee hij weet, ja, nee, toch, ja hij voelt gewoon dat ze het gaat klaarspelen. Dat dit wel eens iets bijzonders kan worden. Heel bijzonder.’

 

Kirsten van Santen in Leeuwarder Courant, 2 juni 2017

Zo ontstaat een voorstelling voor Oerol

Aan een Oerolvoorstelling gaat een lang, soms jarenlang, proces vooraf. Een productie is er niet zomaar, die moet rijpen. Kunstenaar en festivaldirecteur moeten elkaar vertrouwen. En soms een risico nemen. Een kijkje in de keuken van de Oerol-economie.

Kees Lesuis is dikke vrienden met het toeval. De artistiek leider van het Terschellinger Oerolfestival wijst naar de enorme kaart achter zich op de muur van het Oerolkantoor in Midsland. Daarop staan de belangrijke piekmomenten in een Oeroljaar aangegeven. Die zijn voor iedereen verschillend. Wanneer productie en communicatie anderhalve week voor aanvang van het theaterfestival overuren draaien, kan Lesuis ontspannen. De boel ‘draait’ immers. “De kans op een zo goed mogelijk festival is aanwezig.’’ Al die verschillende piekmomenten, eigenlijk is het niet met elkaar te combineren. Een kwestie van toeval, een schitterend ongeluk, dat het altijd weer allemaal goed komt.

Een verse maandag strekt zich voor Lesuis uit. Een dag die rustig leek, maar waarop er toch ineens van alles moet. De krant wil een verhaal over hoe je dat doet; programmeren, er komen theatermakers op inspiratiebezoek – een uit Amsterdam, een uit Vlaanderen. Ze komen ongeveer allemaal tegelijk aan. Lesuis zal ze van de boot halen en schipperen met de aandacht die hij aan een ieder kan besteden.

En dan meldt een medewerker op het kantoor ook nog eens dat om vier uur die middag ‘de vlag gehesen wordt’ en of de artistiek leider dan een woordje wil zeggen. “Dat is een soort officieel momentje bij ons. Als de eerste groepen op het eiland zijn, gaat de vlag in top en proosten we erop.’’

Vooruitkijken naar 2018 en 2019

Terwijl de voorbereidingen van dit Oerolfestival in volle gang zijn, houdt Lesuis zich al bezig met de edities van 2018 en 2019. Hij begeleidt producties vanaf een heel pril stadium; soms nog voordat zich een duidelijk idee heeft aangediend is hij al met theatermakers in gesprek. Omdat hij eerder werk van ze interessant vindt, of via via van ze heeft gehoord.

Zo ontvangt hij vandaag Kees Roorda, toneelschrijver. Dat gebeurt op verzoek van Lesuis. Hij vond het tijd ‘om weer eens nader tot elkaar te komen’. “Om samen hardop na te denken.’’ Roorda, geboren in Leeuwarden en opgegroeid in Drachten, had er meteen oren naar. Vier keer eerder was er al iets van hem op Oerol te zien. Als kleine jongen kampeerde hij met zijn ouders op camping De Kooi. Altijd heimwee als-ie weer naar huis moest. Hij is blij om weer op Terschelling te zijn, om er iets te kunnen maken.

Oerol wil een aanlokkelijk podium voor makers zijn, een uitdagend podium waar kunstenaars groot durven te werken en waar ze hun dromen waar proberen te maken. Het is een vraag die hij ze altijd stelt: waarom hier, waarom Terschelling? Wat is de link met het eiland? Zo’n gesprek vormt de eerste aanzet tot een denkproces.

Lesuis denkt mee, schetst de contouren en probeert te inspireren. “Het gaat mij erom het goede verhaal boven tafel te krijgen.’’ Wellicht ontvangt de theatermaker vervolgens, nadat er een plan is opgesteld, een intentieverklaring van Oerol – een voornemen om de voorstelling te programmeren. Het is belangrijk voor makers om zo’n intentieverklaring op zak te hebben, want daarmee kunnen ze subsidie aanvragen.

Rekensom

Het is namelijk niet zo dat Oerol kant en klare voorstellingen ‘koopt’. Oerol faciliteert, biedt groepen een publiek en ruimte om te experimenteren. De makers moeten overtocht en verblijf en de kosten van hun productie zelf betalen. Op Terschelling krijgen ze 75 procent van de inkomsten van de kaartverkoop – de recettes. Het zogeheten ‘garantiebedrag’ wordt als volgt berekend: aantal voorstellingen keer publieksaantal keer entreeprijs minus 6 procent btw keer 75 procent.

Wanneer de uitkomst hiervan ontoereikend is, bijvoorbeeld omdat een voorstelling maar weinig publiek kan bergen of omdat er dertig muzikanten mee moeten, dan kan Oerol inspringen bij het aanvragen van subsidie. En wanneer dat niet volstaat, kan de tering nog naar de nering worden gezet, vertelt financieel medewerker Charlotte Verhoef. “We kunnen kijken of groepen vaker kunnen spelen, of de techniek eenvoudiger kan, wil je echt ’s avonds spelen of kan het ook bij daglicht – dat soort dingen.’’

Het productieproces voltrekt zich volgens een vast stramien: eerst is er een verkennend gesprek, dan volgt een inspiratiebezoek, later een verblijf op het eiland, waaruit een plan voortvloeit.

Als dat plan wordt gehonoreerd met een intentieverklaring kan de zoektocht naar subsidiegeld worden gestart. Dat doen de groepen zelf. In de maanden of jaren die dan volgen, houdt Lesuis een vinger aan de pols. “Het gaat erom dat je in een vroeg stadium weet waar je aan toe bent’’, stelt de artistiek leider. ,,Dat geldt voor beide kanten. De intentieverklaring is wat dat betreft zowel voor ons als voor de makers echt een waardevolle afspraak.’’

Deinend enthousiasme

Zo’n verklaring lijkt er voor toneelschrijver Kees Roorda wel aan te komen. Hij kwam vanuit Amsterdam op de fiets naar Terschelling. In zijn verkeerd om aangetrokken wielershirt en met bruinverbrand hoofd zit de boomlange schrijver aan de koffie in Strandhotel Formerum. Lesuis zit tegenover zijn naamgenoot en laat hem praten over zijn plannen voor een Oerolproductie in de nabije toekomst.

Roorda heeft wel wat leuks, zegt hij grijnzend. Hij pakt een dik boek uit zijn fietstas, dat gaat over de grens tussen het echte leven en het (kinder)spel. Hij praat met Lesuis over gaming, over de film Dogville van Lars von Trier, over donkere bossen, een bar in de nacht, een moord, een raadsel en publieksparticipatie.

Lesuis knikt driftig van ja. Af en toe wordt hij concreet. Hoe denk je de kaartverkoop te regelen? Hoe krijg je mensen zo ver?

Het enthousiasme deint in golven tussen de twee mannen heen en weer. Maar nergens vliegt het gesprek uit de bocht. Lesuis houdt de regie. Hij stelt vragen, maar blijft in oplossingen denken. Hij besluit dat de koffie betaald gaat worden.

“Ik wil je meenemen naar het strand. Dan pakken we het gesprek daar wel weer op, oké?’’ Roorda vindt het een prettig contact, zegt hij later. “Kees biedt ruimte. Vrijheid.’’

Op het strand bij Formerum bouwt het Noord Nederlands Toneel met Club Guy & Roni een gigantische tribune, pal op de wind, voor een man of zevenhonderd. Over een week is hier Penthesilea te zien. Lesuis is blij met dit megaproject. Het kan alleen op Oerol staan doordat het NNT er zelf geld in steekt. Lesuis toont het enorme speelvlak aan Roorda. “Geweldig dit toch?’’

De ruige jaren onder het juk van voormalig staatssecretaris van cultuur Halbe Zijlstra lijken voorbij. Lesuis ontwaart een positievere grondhouding richting de kunsten. “Makers zijn zich anders gaan organiseren. Kunst doet er weer toe. Ik vind de huidige theatermakers geëngageerder. Radicaler ook, in zekere zin.’’

 Kromming van de aarde

 Later, in de auto (inmiddels is ook Roorda’s eigen zakelijk artistiek producente Anneke Toonen gearriveerd), biedt Lesuis de toneelschrijver brokjes inspiratie aan – een naam van een fotograaf, een boek, een collega-theatermaker. Roorda wil eigenlijk iets ’s nachts doen, in het bos. Lesuis stelt dat het niet mee zal vallen om dat nog eens voor mekaar te boksen, maar bezweert: “Als de artistieke noodzaak zo duidelijk is, zo groot is, dat het echt moet, dan is er misschien wat mogelijk.’’

Iets van dezelfde strekking zegt Lesuis een paar uur later tegen de Vlaamse theatermaakster Ine van Baelen van het gezelschap Post uit Hessdalen. Ze heeft ambitieuze plannen voor een locatietheaterproductie. Ook zij komt net van de boot, twee grote geluidsboxen en gigantische koffers met zich mee torsend.

Oerol nodigde haar uit om op residentie te komen. Ze wil de werking van ‘ver’ en ‘dichtbij’ onderzoeken, en “iets met de kromming van de aarde.’’ De weg die voor de Vlaamse ligt, is lang. En ongewis. Ze wil dertien uren de beweging van eb en vloed observeren. Of dat mogelijk is? Ada en Kees knikken. Dat kan hoor – zeg maar, wat wil je: kijken naar de Noord- of naar de Waddenzee? De Vlaamse zwijgt. Daar moet ze over nadenken.

Later, als Van Baelen in een Oerolbusje naar haar onderkomen wordt gebracht, staart Lesuis haar na. Dit bedoelt hij dus. Zo’n maakster. Die vastberadenheid. Hij voelt, nee hij weet, ja, nee, toch, ja hij voelt gewoon dat ze het gaat klaarspelen. Dat dit wel eens iets bijzonders kan worden. Heel bijzonder.

Dan spoedt de artistiek leider zich weer verder, mobieltje in de aanslag, terug naar schrijver Roorda en zakelijk producent Toonen. Die willen per se nog een stuk bos zien. “Ik weet wel wat.’’

Geef een reactie